NiðerlendiscAdiht

WordstǽrAdiht

Eald Niðerlendisc wesan and sîn.

GeþéodnesAdiht

Andweard
gebícniendlic
Forþgewiten
gebícniendlic
Andweard
underþéodendlic
Forþgewiten
underþéodendlic
ikbenwaszijware
je/jijbentwaszijware
hij/zij/hetiswaszijware
we/wijzijnwarenzijnwaren
julliezijnwarenzijnwaren
zij/zezijnwarenzijnwaren

Ungeendiendlic: zijn
Gebíged Ungeendiendlic: te zijn
Forþgewiten dǽlnimend: geweest
Andweard dǽlnimend: zijnde
Bebéodendlic: wees, weest oþþe ben/zij, zijt

  1. béon